Boekenleggers

Hoekjes vouwen heb ik nooit veel gedaan, lege papiertjes en kant-en-klare boekenleggers gebruiken wel. Tegenwoordig maak ik voor ieder boek een aparte boekenlegger, meestal een knipsel uit een tijdschrift, die ik in het boek laat zitten als ik het uit heb. Ik vind het leuk om associaties te maken tussen dingen die op zichzelf niks met elkaar te maken hebben: als ik nu mijn bloedneus zie moet ik aan schapen en weilanden denken, en als ik die Amerikaanse winkel in de schaduw van een grote eik zie denk ik aan de Algerijnse zon. Hier een kleine galerij van mijn boekenleggers:

vewn

Intimiderend en overweldigend kunstzinnig, zo zou ik de video’s van vewn omschrijven. Haar laatste video is bijna tien minuten lang, drie keer zo lang als de video die hiervoor haar langste was, en met iedere video zie je haar beter worden in wat het ook is dat ze doet:

Ito

Een nieuw schrift! Dat werd ook wel tijd, want met dit tempo haal ik Drabkikker nooit in. Klik op het plaatje hieronder om de pagina over het schrift te lezen:

ito_header

Ik kwam op het idee van een schrift met vierkantjes toen ik zat te denken aan Chinese zegels en QR-codes:

frooi

Ik moest ook aan haiku’s denken: als je met dit schrift iedere lettergreep als één vierkantje schrijft, wordt de lettergreepstructuur van een haiku zichtbaar:

haiku2
En mocht u benieuwd zijn, zo ziet dat eruit, een schrift bedenken (klik voor grote versie):

canvas_klein

Een paar interessante video’s

Over de nadelen en geschiedenis van tumbleweed:

Hoe nummers er ook uit kunnen zien:

Achter de schermen bij een opera van Philip Glass:

Een gedicht van Billy Collins (een lanyard is een koordje dat je om je nek kunt doen om bijvoorbeeld een fluitje aan te hangen):

Een podcast met mooie verhalen van deze man:

Stokje

waterijsje op
stokje plakkerig
ik duw het in het zand
tussen de kinderkopjes
waar we vroeger speelden
met water en mieren

naast de kinderkopjes
vroeger zandbak
nu moestuin
want we houden meer van pompoenen
dan van spelen in het zand
zeggen we

zandstokje
ik duw het in het water
van een plantenbak
die in de schaduw staat
de zandkorrels vallen
vallen vallen donker weg

de mieren spelen nog in het zand
ze dragen het hoofd van een insect
groter dan zijzelf
naar hun holletje
als kinderen die thuiskomen met
een afgehakte olifantenkop

De bergen van Alice en Max

De muziek van Alice Phoebe Lou en het illustratiewerk van Max Loeffler hebben twee dingen gemeen. Ten eerste vind ik ze allebei zo mooi dat ik ze hier wil delen, en ten tweede: bergen.

De cover art van een single en een album van Alice en veel illustraties van Max hebben eenzelfde soort bergen aan de rand van een vlak landschap, die de indruk geven dat de plek zich nergens bevindt, of in ieder geval zo ver weg van de aarde is dat je er helemaal alleen bent en dat je er zo lang kunt blijven als je wil, dat de tijd stilstaat of zichzelf steeds herhaalt, alsof het een droom is, of een herinnering.

alice

De cover art van Galaxies van Alice Phoebe Lou

max

Een illustratie van Max Loeffler voor het tijdschrijft Wirtschaftswoche

Sommige foto’s van Mars geven me hetzelfde gevoel, en in SpaceEngine, een simulatiegame waarin je een oneindig universum kunt verkennen, zoek ik ook altijd zulke plekken op.

Luister hier naar een album van Alice Phoebe Lou (mijn lievelingsmuziek), en bekijk hier de illustraties van Max Loeffler.

Twee meisjes rennen door het hoge gras

Als een schip in een oceaan
staat een huis tussen weilanden en akkers.
Ik kom er vaak langs tijdens een wandeling.

Ik wist dat het huis niet leegstond,
maar niet dat er mensen woonden.
Ik zag ze rennen door het hoge gras

van de tuin die net zo goed
een ander weiland had kunnen zijn.
Grote zus rende achter kleine zus aan.

Grote zus droeg een zwart-witgestreepte
broek, maar dat haar benen op zebra’s
in een savanne leken merkte ik niet,

ik keek alleen maar naar haar mooie,
zachte broek en dacht, als ik een meisje was,
dan zou ik ook zo’n broek willen dragen.

Zij zagen mij niet, en ook het huis
leek zich onbewust van alles buiten de tuin,
net als ik kijkend naar de spelende zussen.

Ik friemelde met het takje dat ik had opgeraapt
om mijn handen bezig te houden, en ik dacht,
misschien wonen zij hier wel alleen.

Misschien maaien ze nooit het gras,
is het altijd zomer in hun tuin en rennen ze
elke avond achter elkaar aan op blote voeten.

Paardenscheten en blokfluit spelen

Toen ik laatst met de familie in Luik was hadden we een Franstalige gids die Engels sprak, en ik hoorde dat ze uit het Frans gewend was om woorden in het meervoud hetzelfde uit te spreken als in het enkelvoud. Toch begrepen we wat ze zei, en gebruikte ze woorden als ‘a’, ‘some’ en ‘many’ om hoeveelheden aan te geven.

Waarom maken we onderscheid tussen enkelvoud en meervoud? In talen zoals Japans en Chinees is het onderscheid optioneel: 马屁 kan iets specifieks betekenen als ‘een paard laat een scheet’, maar ook iets als ‘paarden laten scheten (in het algemeen)’. Wij maken dat onderscheid bijna altijd, al kun je vaak genoeg zonder.

En wat is er zo speciaal aan de hoeveelheid één, in tegenstelling tot alle andere hoeveelheden? Sommige talen, zoals Oudgrieks, hebben naast enkelvoud en meervoud ook nog een dubbelvoud, onder andere voor dingen die van nature in paren voorkomen, zoals ogen of handen, en voor constructies als ‘wij tweeën’.

Het mooie aan dit alles vind ik dat dingen die we logisch vinden aan onze taal vaak niet logischer zijn dan wat andere talen doen. Waarom dat onderscheid tussen één en de rest? Waarom hebben we geen ‘heel erg verschrikkelijk veelvoud’, iets wat mijn biologiedocent ooit zei? En waarom zeggen we ‘anderhalve maand’, en niet ‘anderhalve maanden’? Is dat logisch?

Ook vind ik het leuk dat wij zonder het door te hebben toch niet altijd specifiek zijn. Volgens mij zijn zinnen als ‘Ik speel blokfluit’ en ‘Dat lijken me eerder paardenscheten’ daar voorbeelden van.

Een van de redenen waarom ik zelf talen bedenk is omdat ik graag met dit soort dingen experimenteer. Igigi was de eerste taal die ik sinds lange tijd had gemaakt en doet niet veel speciaals, maar Nok was een experiment in minimalisme en zinsbouw, en Iya’a in klanken en werkwoordstijden. Ik hoop nog meer van dat soort taaltjes te maken om nieuwe mogelijkheden in talen te ontdekken.

Kraaien

U weet waarschijnlijk al dat kraaien best slim zijn. Dat ze bijvoorbeeld noten op het asfalt laten vallen om ze te breken.

Bij biologie heb ik ooit geleerd dat kraaien in Japan hebben ontdekt hoe stoplichten werken. Als het rood is leggen ze de noten voor de wielen van de auto’s, en dan wachten ze tot het groen is.

Toen ik laatst tosti’s aan het maken was zaten er twee kraaien op het vogelhuisje in de tuin dat zeg maar niet echt bedoeld is voor kraaien. Mijn ogen gleden erlangs, ik keek de kraaien aan, zij keken mij aan, maar in mijn gedachten was ik ergens anders. Ze bleven zitten.

Een paar minuten later kwamen mijn ogen weer terecht op het vogelhuisje, en opeens zag ik dat er twee kraaien op zaten. Pas toen ik me bewust van ze werd vlogen ze weg.